Hoe werkt de migratie van servers met op software gebaseerde licenties met betrekking tot de hardware van de host in combinatie met Azure Site Recovery?

Raadpleeg de licentievoorwaarden voor uw toepassing van derden.

Azure Site Recovery

Related questions and answers

  • Azure does not support persistent MAC addresses, and so software with MAC based license models can't be used for both on-premises to Azure migration or disaster recovery.

  • De licenties voor Windows Server lopen via uw Service Provider License Agreement (SPLA).

  • U kunt een licentie voor Windows Server krijgen via uw SPLA-overeenkomst of via de licentie van de eindgebruiker indien die in aanmerking komt voor Disaster Recovery Software Assurance.

  • Met Azure Hybrid Benefit hebt u alles in handen om uw on-premises licenties en licenties in de cloud optimaal te benutten. U kunt in alle Azure-regio's uw licenties voor Windows Server met Software Assurance gebruiken voor virtuele machines tegen het basisrekentarief, wat een besparing tot 40% of meer oplevert. Gebruik uw Hybrid Benefit wanneer u uw Windows-servers naar Azure migreert. Meer informatie.

  • Azure Hybrid Benefit is van toepassing op alle klanten met actieve Software Assurance en kan worden geactiveerd in Azure ongeacht hoe Azure wordt aangeschaft (Enterprise Agreement, Cloud Solution Provider enzovoort).

  • Wanneer u Site Recovery gebruikt, , berekent u de kosten door voor de Site Recovery-licentie, Azure-opslag, opslagtransactie en uitgaande gegevensoverdracht. De Site Recovery-licentie geldt per beschermde instantie, waarbij 'instantie' een virtuele machine of een fysieke server is.

    • Als een virtuele-machineschijf wordt gerepliceerd naar een standaardopslagaccount, worden de kosten voor Azure-opslag gebruikt voor het verbruik van de opslagruimte. Als de bronschijf bijvoorbeeld 1 TB is en er 400 GB opslagruimte wordt gebruikt, creëert Site Recovery een VHD van 1 TB in Azure, maar betaalt u voor de 400 GB aan opslagruimte (plus het bedrag voor de opslagruimte die voor replicatielogboeken wordt gebruikt).
    • Als een virtuele-machineschijf naar een premium opslagaccount wordt gerepliceerd, worden de kosten voor Azure-opslag gebruikt voor de ingerichte opslaggrootte, afgerond op de dichtstbijzijnde premium opslagschijfoptie. Als de bronschijf bijvoorbeeld 50 GB is, creëert Site Recovery een schijf van 50 GB in Azure en wijst Azure deze schijf toe aan de dichtstbijzijnde premium opslagschijf (P10). De kosten worden berekend op P10 en niet op de schijf van 50 GB. Meer informatie. Als u premium opslag gebruikt, is tevens een standaardopslagaccount vereist voor de replicatielogboeken. Het bedrag voor de standaardopslagruimte die voor deze logboeken wordt gebruikt, wordt eveneens in rekening gebracht.
    • Er worden geen schijven gecreëerd tot er een (test-)failover plaatsvindt. In de replicatietoestand worden opslagkosten in de categorie ‘Pagina-blob en schijf' in rekening gebracht volgens de opslagprijzencalculator. Deze kosten zijn gebaseerd op het type opslag (premium of standaard) en het type gegevensredundantie (zoals LRS, GRS, RA-GRS, etc.).

    Als u de optie om beheerde schijven te gebruiken bij een failover hebt geselecteerd, worden kosten voor beheerde schijven in rekening gebracht na een (test-)failover. Kosten voor beheerde schijven gelden niet tijdens replicatie. Tijdens replicatie worden kosten voor opslag in rekening gebracht in de categorie Onbeheerde schijven en pagina-blobs. Deze kosten zijn gebaseerd op het type opslag (premium of standaard) en het type gegevensredundantie (zoals LRS, GRS, RA-GRS, etc.). Voorbeeld: Voor een virtuele machine die wordt gerepliceerd naar Premium Storage met een schijf van 128 GB met het besturingssysteem en een gegevensschijf van 500 GB: 1. Tijdens replicatie: Voor opslag gelden extra kosten onder de categorie Onbeheerde schijven en pagina-blobs voor Premium Storage-schijven P10 en P20. De grootte van de schijven die worden gerepliceerd (128 GB en 500 GB) worden voor facturatie afgerond naar de dichtstbijzijnde onbeheerde premium schrijfgrootte van P10 (128 GB) en P20 (512 GB). Er wordt ook een standaardopslagaccount gebruikt voor het vastleggen van logboeken over deltawijzigingen tijdens replicatie. Voor opslag worden bovendien extra kosten gefactureerd onder de categorie Onbeheerde schijven en pagina-blobs op basis van de hoeveelheid standaardopslagruimte die voor deze logboeken wordt gebruikt. 2. Tijdens een testfailover of na een failover naar beheerde schijven: Kosten voor beheerde schijven voor de beheerde Premium-schijven P10 en P20 zijn van toepassing. Voorbeeld: voor een virtuele machine die wordt gerepliceerd naar standaard opslag met een schijf van 32 GB met het besturingssysteem en een gegevensschijf van 250 GB: 1. Tijdens replicatie: kosten voor opslag worden in rekening gebracht in de categorie Onbeheerde schijven en pagina-blobs. 2. Tijdens een testfailover of na een failover naar beheerde schijven: Kosten voor beheerde schijven voor de beheerde Standard-schijven S4 (32 GB) en S15 (256 GB) zijn van toepassing. Zoals u ziet is de grootte van de schijven (32 GB en 250 GB) afgerond naar de dichtstbijzijnde standaard beheerde schijf van S4 (32 GB) en S15 (256 GB).

    • Als de optie om beheerde schijven te gebruiken tijdens een failover niet is geselecteerd, worden opslagkosten in de categorie 'Onbeheerde schijven en pagina-blobs' volgens de Opslagprijzencalculator in rekening gebracht nadat de failover heeft plaatsgevonden. Deze kosten zijn gebaseerd op het type opslag (premium of standaard) en het type gegevensredundantie (zoals LRS, GRS, RA-GRS, etc.).
    • Opslagtransacties worden in rekening gebracht tijdens replicatie in de rustige toestand en voor regelmatige virtuele-machinebewerkingen na een (test-)failover. Deze kosten zijn verwaarloosbaar. Er worden ook kosten in rekening gebracht tijdens een testfailover, waarbij de kosten voor de virtuele machine, opslag, uitgaand verkeer en opslagtransacties worden toegepast.